Ik zit al een tijdje met een probleem. Ik weet niet hoe ik het moet uitleggen.
Toen wij ons huis kochten, leenden wij een paar ton van de bank. We hadden namelijk niet zoveel cash op zak. Net zoals de meesten van ons dat niet hebben. Mijn bank had het wel.
Althans, dat dacht ik. Want de bank gaf mij het geld in bruikleen. Daarvoor betaal ik nu een forse rente. Het is maar vijf procent, maar over de looptijd betaal ik zo bij elkaar ruim twee maal het geleende bedrag. Zo zij het. Want de bank had het geld wel, en ik niet.
Maar nu begrijp ik dat mijn bank het geld strict gesproken ook niet had. Dat kwam niet alleen omdat het de Fortis bank was. ABN, ING, RABO of vrijwel welke andere bank ook. Alle banken samen hadden dat geld wat ik ging lenen eigenlijk ook niet.
En dat komt niet door de kredietcrisis. Want die was er toen nog niet. Welnee.
Het komt door de manier waarop een bankbalans werkt. Banken kunnen namelijk nieuw geld maken. Helemaal uit het niets, lijkt het.
Dat gaat namelijk zo. Als je je geld naar de bank brengt, om te sparen, dan belooft de bank dat je dat elk moment mag opnemen. Zelfs als je je geld vast zet, kun je er meestal wel bij. Zij het dat het iets langer duurt, en dat je misschien een boete moet betalen. Jouw geld blijft jouw geld. Of niet?
De bank gebruikt jouw gestalde geld namelijk tegelijkertijd ook om uit te lenen. Degene die het leent mag het gebruiken, maar jij ook. Dus het geld is er dan eigenlijk twee keer.
Nog een keer. Ik spaar honderd euro bij de bank. Mijn vrouw leent diezelfde honderd euro van de bank. Ik besluit mijn honderd euro toch maar weer op te nemen. Nu heeft mijn vrouw honderd euro, en ik ook. Samen hebben we nu twee keer zo veel in handen als er eerst was. Het zelfde geld is er nu twee keer.
Of eigenlijk is het meeste geld er nog wel meer keren. De meeste mensen brengen hun geld namelijk naar een grote bank. Dus stel dat ik mijn hypotheek leen van jouw geld, en daarmee mijn huis betaal. De verkoper van het huis krijgt dat geld, en brengt het ook weer naar de (zelfde) bank. Die bank ziet dat geld dan als een nieuw deposito, dat hij ook weer kan uitlenen. Zo is het zelfde geld er al drie keer.
Dat mag bij ons wettelijk zo maar door gaan tot het geld ongeveer twaalf keer is uitgeleend.
En nog steeds mag iedereen zijn bankconto opnemen.
Hoewel de bank natuurlijk liever heeft dat je pint. Want wettelijk gezien valt de bank om als hij meer dan twaalf keer heeft uitgeleend dan hij in kas heeft. Dat gebeurt ook als te veel mensen tegelijk hun geld komen opnemen. Dan wordt die kas kleiner, en het uitgeleende aandeel dus groter. Dus in de praktijk is jouw geld op de bank dan toch niet meer helemaal van jou.
Banken mogen doen alsof zij geld hebben om uit te lenen. Wij niet.
Banken mogen rente daarover berekenen. Wij niet.
Beetje raar eigenlijk.
Banken zouden theoretisch het risico over dat nieuw gecreëerde geld moeten dragen.
Maar nu het systeem crasht, kunnen zij dat blijkbaar niet.
Is het nu de bedoeling dat wij dat geld, dat er eerst niet was, aan de bank gaan geven om de klap op te vangen? Mogen wij dan ook net doen, alsof we het geld hebben?
En dan liefst zonder dat we het dan weer bij een willekeurige bank lenen – die het eigenlijk ook niet heeft?
Bronnen o.a.:
Joseph E. Stiglitz, John Driffil; Economics, 1993-e.v.
http://en.wikipedia.org/wiki/Fractional_Banking
dinsdag 24 maart 2009
donderdag 12 maart 2009
Desperado
Helaas. Weer heeft een jongen onder de twintig een massamoord uitgevoerd. Hier in de veilige westerse wereld wel te verstaan. Want als een jongen in Gaza op burgers schiet, dan valt dat minder op. Dan hoort dat bij zijn werk.
Het was dit keer weer in Duitsland, bij Stuttgart. Een zeventienjarige, nette, onopvallende jongen had zijn zwarte SWAT-team outfit aangetrokken. Hij nam een geladen vuurwapen ter hand. En hij betrad zijn vroegere vmbo-school. Daar ging hij de ene na de andere klas in, en schoot doelgericht op docenten en leerlingen. Hij doodde ze liefst met een welgemikt schot in het hoofd.
Waarom? Waarom? Waarschijnlijk vraagt iedereen zich dat af. De jongen gaat het niet meer vertellen. Want nadat hij op zijn vlucht nog enkele andere slachtoffers had gemaakt, doodde hij ook zichzelf. We moeten er maar naar gissen.
Zelfs de jongen die enkele weken geleden in België met een mes kleuters te lijf ging, die nog leeft, vertelt niet veel nuttigs. Eerst zei hij zich niets te herinneren van het voorval. Nu is de conclusie dat hij tijdelijk bevangen was door waanzin. Makkelijke uitvlucht? Dat zou je inderdaad wel zeggen.
Maar het zou wel kunnen. Jaren geleden probeerde ik een jongen te helpen ontsnappen uit een zwervend bestaan. Maar hij gebruikte veel drugs om zijn pijn te vergeten. En in een paranoïde roes zag hij een jeugdwerker aan voor een duivel. Letterlijk. Hij gebruikte al zijn kickbox-vaardigheden en sloeg de man tegen de grond. Nadien herinnerde hij zich eigenlijk niets, en had hij spijt van wat gebeurd was.
Zouden die Belgische en Duitse jongen ook in zo'n roes zijn geweest? Zouden ze in de docenten en leerlingen duiveltjes gezien hebben? Monsters uit een schietspel op de computer? “Zijn jullie nu nog niet dood?” zou de laatste jongen geroepen hebben. Als hij monsters zag, zal hij best wanhopig geweest zijn. Pijnlijk. Vooral voor al de wanhopigen aan de andere kant van de loop.
Zouden die schutters misschien gevaarlijke drugs gebruiken? Tegen schizofrenie aan hangen en gewelddadige psychoses hebben? Niet onmogelijk, maar aan het gebruik van een vuurwapen gaat wel wat planning vooraf. Dat doe je niet zomaar. Met te veel alcohol, onze meest gewone verdovende middel, kun je gevaarlijk gaan rijden en woedend mensen in elkaar gaan slaan. Maar je kunt ook met een grote glimlach stil in een hoekje gaan zitten.
“Ik verbaas me eigenlijk dat het niet veel vaker gebeurt!” roept goede vriend en collega. Ik heb hem juist verteld dat er bijna tegelijkertijd met de Duitse schietpartij ook een Amerikaanse jongen zijn wapen op medescholieren en zichzelf leeg schoot. “Mijn middelbare schooltijd was wel de vreselijkste tijd van mijn leven. Al die frustraties!”. Gek gepest, alleen, onbegrepen. Hij had er als puber in elk geval wel eens over gefantaseerd, om die akelige klasgenoten en volwassenen iets aan te doen.
Eigenlijk sta ik wel even perplex. Mijn vriend is ook zo'n model-jongen. Maar ja, ik leerde hem net kennen na die middelbare schooltijd. Nu is hij een bijzonder productief lid van de samenleving.
Ja. Ik heb mijn frustraties ook wel eens uitgeleefd in een gewelddadig computerspel. In sommige kun je zelfs op burgers schieten zonder dat je het spel uit wordt geslingerd. De politie komt je dan overhoop schieten, maar met een paar cheats kun je je bloedbad makkelijk voortzetten. Eigenlijk erg saai als je dat doet, en achteraf voelt het wel vies. Zelfs al waren die digitale burgers alleen maar door de computer uitgerekend.
In elk geval ziet zo'n schietincident er uit als een wanhoopsdaad. Desperaat. Gevoel dicht, of knetterdepresief. Waarom zou je anders de hand daarna aan jezelf leggen? Dan moet je wel erg klem zitten. Zelfs al zie je er nog zo gewoon en onopvallend uit. Zelfs al is je vader nog zo geslaagd, en je moeder nog zo aardig voor je vriendjes. Ik hoop maar dat niet te veel van ons “gewoon en onopvallend” in zo'n desperate staat zijn. Dat zou best treurig zijn.
Het was dit keer weer in Duitsland, bij Stuttgart. Een zeventienjarige, nette, onopvallende jongen had zijn zwarte SWAT-team outfit aangetrokken. Hij nam een geladen vuurwapen ter hand. En hij betrad zijn vroegere vmbo-school. Daar ging hij de ene na de andere klas in, en schoot doelgericht op docenten en leerlingen. Hij doodde ze liefst met een welgemikt schot in het hoofd.
Waarom? Waarom? Waarschijnlijk vraagt iedereen zich dat af. De jongen gaat het niet meer vertellen. Want nadat hij op zijn vlucht nog enkele andere slachtoffers had gemaakt, doodde hij ook zichzelf. We moeten er maar naar gissen.
Zelfs de jongen die enkele weken geleden in België met een mes kleuters te lijf ging, die nog leeft, vertelt niet veel nuttigs. Eerst zei hij zich niets te herinneren van het voorval. Nu is de conclusie dat hij tijdelijk bevangen was door waanzin. Makkelijke uitvlucht? Dat zou je inderdaad wel zeggen.
Maar het zou wel kunnen. Jaren geleden probeerde ik een jongen te helpen ontsnappen uit een zwervend bestaan. Maar hij gebruikte veel drugs om zijn pijn te vergeten. En in een paranoïde roes zag hij een jeugdwerker aan voor een duivel. Letterlijk. Hij gebruikte al zijn kickbox-vaardigheden en sloeg de man tegen de grond. Nadien herinnerde hij zich eigenlijk niets, en had hij spijt van wat gebeurd was.
Zouden die Belgische en Duitse jongen ook in zo'n roes zijn geweest? Zouden ze in de docenten en leerlingen duiveltjes gezien hebben? Monsters uit een schietspel op de computer? “Zijn jullie nu nog niet dood?” zou de laatste jongen geroepen hebben. Als hij monsters zag, zal hij best wanhopig geweest zijn. Pijnlijk. Vooral voor al de wanhopigen aan de andere kant van de loop.
Zouden die schutters misschien gevaarlijke drugs gebruiken? Tegen schizofrenie aan hangen en gewelddadige psychoses hebben? Niet onmogelijk, maar aan het gebruik van een vuurwapen gaat wel wat planning vooraf. Dat doe je niet zomaar. Met te veel alcohol, onze meest gewone verdovende middel, kun je gevaarlijk gaan rijden en woedend mensen in elkaar gaan slaan. Maar je kunt ook met een grote glimlach stil in een hoekje gaan zitten.
“Ik verbaas me eigenlijk dat het niet veel vaker gebeurt!” roept goede vriend en collega. Ik heb hem juist verteld dat er bijna tegelijkertijd met de Duitse schietpartij ook een Amerikaanse jongen zijn wapen op medescholieren en zichzelf leeg schoot. “Mijn middelbare schooltijd was wel de vreselijkste tijd van mijn leven. Al die frustraties!”. Gek gepest, alleen, onbegrepen. Hij had er als puber in elk geval wel eens over gefantaseerd, om die akelige klasgenoten en volwassenen iets aan te doen.
Eigenlijk sta ik wel even perplex. Mijn vriend is ook zo'n model-jongen. Maar ja, ik leerde hem net kennen na die middelbare schooltijd. Nu is hij een bijzonder productief lid van de samenleving.
Ja. Ik heb mijn frustraties ook wel eens uitgeleefd in een gewelddadig computerspel. In sommige kun je zelfs op burgers schieten zonder dat je het spel uit wordt geslingerd. De politie komt je dan overhoop schieten, maar met een paar cheats kun je je bloedbad makkelijk voortzetten. Eigenlijk erg saai als je dat doet, en achteraf voelt het wel vies. Zelfs al waren die digitale burgers alleen maar door de computer uitgerekend.
In elk geval ziet zo'n schietincident er uit als een wanhoopsdaad. Desperaat. Gevoel dicht, of knetterdepresief. Waarom zou je anders de hand daarna aan jezelf leggen? Dan moet je wel erg klem zitten. Zelfs al zie je er nog zo gewoon en onopvallend uit. Zelfs al is je vader nog zo geslaagd, en je moeder nog zo aardig voor je vriendjes. Ik hoop maar dat niet te veel van ons “gewoon en onopvallend” in zo'n desperate staat zijn. Dat zou best treurig zijn.
woensdag 11 maart 2009
Renteverbod
“Zou Islamitisch bankieren de toekomst zijn?”
Het was niet de eerste krant die zoiets kopte. Islamitisch bankieren zou tegen de crisis kunnen. Want daarin geldt een renteverbod. Dat betekent niet dat je geen commissie betaalt, maar wel dat de bank veel meer risico met je hoort te delen.
Maar heel serieus mocht de media vooralsnog niet met het renteverbod omgaan. Want het hoort natuurlijk bij de Sharia, de religieuze en wereldlijke wetten die voor moslims gelden. En wij hebben scheiding van kerk en staat, en daar moeten we trots op zijn. Dus geen islamitische polonaise aan onze [kapitalistische] democratie. Zo begreep ik in elk geval van briefschrijvers aan de krant, en gepikeerde reacties in de media.
Geen renteverbod dan dus.
Maar toch is dat gek, want het verbod is niet alleen Islamitisch. Het staat niet alleen in de Koran. Maar ook in de Bijbel. En ook in de Torah.
Jezus lijkt zich helemaal tegen de geldhandel uit te spreken, als hij in de tempel de geldwisselaars te lijf gaat. En in het oude testament staat “Gij zult geen rente vragen van uw broeder, noch voor geld, noch voor enig andere zaak...” (Deuteronomium 23:20-21) Bijbelkenners zullen nog wel enkele teksten kunnen vinden die er betrekking op hebben.
In Deuteronomium staat overigens ook nog het bijzinnetje dat je de rente niet aan Israëlische broeders zult vragen. Andere volken mag je wel onderwerpen aan rente, hoe goddeloos het dan ook zou zijn. Dat is Joden niet altijd met even veel dank afgenomen. Maar ja, ondertussen werd wel geld van hen geleend, en veel Christenen stoorden zich ook niet al te veel aan het verbod.
In de middeleeuwen is er heel veel over het verbod op woeker gediscussieerd. Want wat is woeker, en wat is nog wel eerlijk en wat niet? Woeker is eeuwenlang voor leden van de kerk verboden geweest, en tegen de dertiende eeuw gold er eigenlijk een algeheel verbod op het heffen van rente. Of iedereen zich daaraan hield is een tweede, maar toch.
Zelfs de reformatie heeft nog een flinke basis in de vraag of rente wel mag. Het was één van de belangrijkste zaken waar Luther tegen ageerde. Niet alleen dat de aflaten niet o.k. waren, maar ook dat zekere bankiers en geld-handelaren maar liefst 100% winst maakten op de inning van die aflaten. Rente voor het geld waarvoor de Sint Pieter in Rome werd gebouwd.
Ook veel filosofen hebben hun ideeën over de eerlijkheid van rente vragen. Eigenlijk vinden de meeste het helemaal niet eerlijk. Aristoteles, Cato, Cicero, Plutarchus. Volgens Plato kan “geld niet jongen”. Als je rente moet betalen over geld, dan maak je alleen de rijken rijker en de armen armer.
Zelfs Bacon, die toch redelijk pragmatisch en rechts is georiënteerd, vond dat je rente niet hoger dan vijf procent of zo mocht stellen. Maar dat was puur uit practische overweging, omdat rente verbieden alleen hogere illegale woeker in de hand zou werken. Calvijn zei dat ook. Zelfs de grondlegger van het “vrije markt” idee, Adam Smith, geloofde in een plafond op de rente.
Modernere denkers ook. Zelfs alom geprezen economisch denker Keynes zag problemen in rente vragen. Hij verwees naar Guido Gesell, een econoom die (met vele anderen) heel werkbare alternatieven voorstelde voor ons rente-gebaseerde geldsysteem.
Als zoveel knappe koppen en wijze mensen een probleem zagen in rente, zou er dan niet echt iets mee mis kunnen zijn? Zou het kunnen dat er toch iets systematisch verkeerd is aan het vragen van rente? Niet alleen ethisch gezien, maar ook practisch gezien, voor ons allemaal?
Zie voor bronnen o.a.:
http://www.alastairmcintosh.com/articles/1998_usury.htm
http://en.wikipedia.org/wiki/Usury
Het was niet de eerste krant die zoiets kopte. Islamitisch bankieren zou tegen de crisis kunnen. Want daarin geldt een renteverbod. Dat betekent niet dat je geen commissie betaalt, maar wel dat de bank veel meer risico met je hoort te delen.
Maar heel serieus mocht de media vooralsnog niet met het renteverbod omgaan. Want het hoort natuurlijk bij de Sharia, de religieuze en wereldlijke wetten die voor moslims gelden. En wij hebben scheiding van kerk en staat, en daar moeten we trots op zijn. Dus geen islamitische polonaise aan onze [kapitalistische] democratie. Zo begreep ik in elk geval van briefschrijvers aan de krant, en gepikeerde reacties in de media.
Geen renteverbod dan dus.
Maar toch is dat gek, want het verbod is niet alleen Islamitisch. Het staat niet alleen in de Koran. Maar ook in de Bijbel. En ook in de Torah.
Jezus lijkt zich helemaal tegen de geldhandel uit te spreken, als hij in de tempel de geldwisselaars te lijf gaat. En in het oude testament staat “Gij zult geen rente vragen van uw broeder, noch voor geld, noch voor enig andere zaak...” (Deuteronomium 23:20-21) Bijbelkenners zullen nog wel enkele teksten kunnen vinden die er betrekking op hebben.
In Deuteronomium staat overigens ook nog het bijzinnetje dat je de rente niet aan Israëlische broeders zult vragen. Andere volken mag je wel onderwerpen aan rente, hoe goddeloos het dan ook zou zijn. Dat is Joden niet altijd met even veel dank afgenomen. Maar ja, ondertussen werd wel geld van hen geleend, en veel Christenen stoorden zich ook niet al te veel aan het verbod.
In de middeleeuwen is er heel veel over het verbod op woeker gediscussieerd. Want wat is woeker, en wat is nog wel eerlijk en wat niet? Woeker is eeuwenlang voor leden van de kerk verboden geweest, en tegen de dertiende eeuw gold er eigenlijk een algeheel verbod op het heffen van rente. Of iedereen zich daaraan hield is een tweede, maar toch.
Zelfs de reformatie heeft nog een flinke basis in de vraag of rente wel mag. Het was één van de belangrijkste zaken waar Luther tegen ageerde. Niet alleen dat de aflaten niet o.k. waren, maar ook dat zekere bankiers en geld-handelaren maar liefst 100% winst maakten op de inning van die aflaten. Rente voor het geld waarvoor de Sint Pieter in Rome werd gebouwd.
Ook veel filosofen hebben hun ideeën over de eerlijkheid van rente vragen. Eigenlijk vinden de meeste het helemaal niet eerlijk. Aristoteles, Cato, Cicero, Plutarchus. Volgens Plato kan “geld niet jongen”. Als je rente moet betalen over geld, dan maak je alleen de rijken rijker en de armen armer.
Zelfs Bacon, die toch redelijk pragmatisch en rechts is georiënteerd, vond dat je rente niet hoger dan vijf procent of zo mocht stellen. Maar dat was puur uit practische overweging, omdat rente verbieden alleen hogere illegale woeker in de hand zou werken. Calvijn zei dat ook. Zelfs de grondlegger van het “vrije markt” idee, Adam Smith, geloofde in een plafond op de rente.
Modernere denkers ook. Zelfs alom geprezen economisch denker Keynes zag problemen in rente vragen. Hij verwees naar Guido Gesell, een econoom die (met vele anderen) heel werkbare alternatieven voorstelde voor ons rente-gebaseerde geldsysteem.
Als zoveel knappe koppen en wijze mensen een probleem zagen in rente, zou er dan niet echt iets mee mis kunnen zijn? Zou het kunnen dat er toch iets systematisch verkeerd is aan het vragen van rente? Niet alleen ethisch gezien, maar ook practisch gezien, voor ons allemaal?
Zie voor bronnen o.a.:
http://www.alastairmcintosh.com/articles/1998_usury.htm
http://en.wikipedia.org/wiki/Usury
Stropdas
Zouden er mannen zijn die het echt leuk vinden om een stropdas te dragen?
Ik denk dat ik daar dan alleen soms bij hoor. Voor mijn huwelijk had ik een heel mooie licht azuurblauwe. Of bij een feestelijke gelegenheid waar geen strikje bij hoort, dan vind ik het ook wel leuk om mezelf mooi te maken.
Maar voor werk? Gelukkig is dat in mijn werkarena niet vaak nodig. Een stropdas is daar juist meestal teken dat je er niet bij hoort.
In mijn korte tijd als trendvolger was dat anders. Mijn directeur legde uit dat hij ook niet van stropdassen hield. Toen hij zelf voor het eerst in dienst trad had hij uit protest een Mickey Mouse stropdas om geknoopt. Dan was het toch lekker geen echte stropdas. Dus hij begreep goed als ik nog geen stropdassen had. Maar ik moest er toch maar één om doen. En dan een gewone.
Een stropdas maakt je klantgericht. Je laat zien dat je er bij hoort. Je straalt betrouwbaarheid uit.
Zeker als er ook een net overhemd, en pak bij wordt gedragen.
Natuurlijk is een stropdas niet overal goed, en niet elke das en elk pak zijn het zelfde. Een bankier hoort een ander pak te dragen dan een ambtenaar. Een snelle verkoper hoeft niet eens per se een jasje aan te hebben. Er zijn dus rangen en standen. Maar een pak en een das is in elk geval “zoals het hoort”.
Officieel komt de stropdas van een chique sjaaltje. Een cravatte. Iets dat in zwang was tijdens Napoleon, of net er voor. Die werd dan meer los gedragen. En op een gegeven moment verwerd het tot de das die we nu kennen. Met een enkele, een dubbele of een platte knoop. Heel chique.
Toch voelt dat niet zo. Zeker als je bovenste boordknoopje eigenlijk net te strak zit. Dan is het net alsof je een ander soort strop om doet. Dan voelt het meer als iets waar iemand aan kan trekken om je terecht te wijzen, of gewoon voor de lol te wurgen.
Eigenlijk denk ik stiekem dat de stropdas helemaal niet van de Cravatte af stamt. Maar juist van iets heel anders. Namelijk het touw dat slaven vroeger om hun nek kregen.
Dat touw is erg handig om slaven bij elkaar te houden. Of als een soort leiband. Letterlijk. En het geeft direct aan dat je met een slaaf te maken hebt. Iemand wiens leven in handen van iemand anders is. Iemand die hoort te doen wat hem gezegd wordt. Gezagsgetrouw. Betrouwbaar. Klantgericht.
Misschien is dat wel waarom de meeste mannen helemaal niet graag een stropdas dragen. Het is dan een symbool van onvrijheid. Hoe mooi je de das ook maakt.
Ik denk dat ik daar dan alleen soms bij hoor. Voor mijn huwelijk had ik een heel mooie licht azuurblauwe. Of bij een feestelijke gelegenheid waar geen strikje bij hoort, dan vind ik het ook wel leuk om mezelf mooi te maken.
Maar voor werk? Gelukkig is dat in mijn werkarena niet vaak nodig. Een stropdas is daar juist meestal teken dat je er niet bij hoort.
In mijn korte tijd als trendvolger was dat anders. Mijn directeur legde uit dat hij ook niet van stropdassen hield. Toen hij zelf voor het eerst in dienst trad had hij uit protest een Mickey Mouse stropdas om geknoopt. Dan was het toch lekker geen echte stropdas. Dus hij begreep goed als ik nog geen stropdassen had. Maar ik moest er toch maar één om doen. En dan een gewone.
Een stropdas maakt je klantgericht. Je laat zien dat je er bij hoort. Je straalt betrouwbaarheid uit.
Zeker als er ook een net overhemd, en pak bij wordt gedragen.
Natuurlijk is een stropdas niet overal goed, en niet elke das en elk pak zijn het zelfde. Een bankier hoort een ander pak te dragen dan een ambtenaar. Een snelle verkoper hoeft niet eens per se een jasje aan te hebben. Er zijn dus rangen en standen. Maar een pak en een das is in elk geval “zoals het hoort”.
Officieel komt de stropdas van een chique sjaaltje. Een cravatte. Iets dat in zwang was tijdens Napoleon, of net er voor. Die werd dan meer los gedragen. En op een gegeven moment verwerd het tot de das die we nu kennen. Met een enkele, een dubbele of een platte knoop. Heel chique.
Toch voelt dat niet zo. Zeker als je bovenste boordknoopje eigenlijk net te strak zit. Dan is het net alsof je een ander soort strop om doet. Dan voelt het meer als iets waar iemand aan kan trekken om je terecht te wijzen, of gewoon voor de lol te wurgen.
Eigenlijk denk ik stiekem dat de stropdas helemaal niet van de Cravatte af stamt. Maar juist van iets heel anders. Namelijk het touw dat slaven vroeger om hun nek kregen.
Dat touw is erg handig om slaven bij elkaar te houden. Of als een soort leiband. Letterlijk. En het geeft direct aan dat je met een slaaf te maken hebt. Iemand wiens leven in handen van iemand anders is. Iemand die hoort te doen wat hem gezegd wordt. Gezagsgetrouw. Betrouwbaar. Klantgericht.
Misschien is dat wel waarom de meeste mannen helemaal niet graag een stropdas dragen. Het is dan een symbool van onvrijheid. Hoe mooi je de das ook maakt.
dinsdag 10 maart 2009
Stuiver
Met onze dochters achterop de fiets banen we ons een weg door het verkeer van de stad. Bij een stoplicht voor een grote, drukke weg gebeurt het. Ik zie een stuiver liggen.
Ons stoplicht springt al op oranje. Ik zie mijn vrouw doorfietsen, dan haalt ze het nog net. Maar ik heb de stuiver gezien. Ik lijk wel een eeuwigheid in dubio – al duurt het maar enkele seconden in werkelijkheid. Moet ik nu de stuiver pakken, en het stoplicht missen? Dit is toevallig één van die stoplichten die letterlijk drie minuten op rood blijft staan. En tijd is geld. Of in elk geval het risico van een gefrustreerde echtgenote en dochter aan de andere kant van de weg.
Inderdaad. Alle lichten op rood. Voor mij dan. Vrouwlief begrijpt inderdaad niet hoe ik het licht heb kunnen missen. Ze kijkt verwonderd over haar schouder, vijftig meter verderop. Ik buk en zwaai met de stuiver. Die ziet ze nog niet. Ik voel me een beetje gierig.
Was het het nu waard? Want wat kun je nu kopen van een stuiver, in de praktijk? Eigenlijk niets. Je kunt het inzetten als wisselgeld, of om netjes gepast te betalen. Stuivers passen al niet eens meer in veel automaten, dus daar zijn ze ook niet goed voor. Je kunt er tien bij elkaar sparen, en dan kun je naar een openbaar toilet. Of je kunt er twintig bij elkaar sparen en een gevulde koek of een croissant kopen. Je kunt je kinderen er mee laten spelen.
Een enkele stuiver is gewoon niet zo veel meer waard. Bij ons.
Bij ons hopen de stuivers en centen zich op in potjes en bokalen. Want wat moet je er anders mee. Het zou me niet verbazen als dat bij heel veel mensen in Noord Europa het geval is. Geen wonder dat het koper op raakt en de koperprijzen stijgen.
Alleen in grote hoeveelheden zetten stuivers zoden aan de dijk. Bij benzineprijzen, duizenden aandelen, energieprijzen, belastingtarieven. Vooral als je al die stuivers incasseert. Dus voor grote bedrijven die massaal kleine eenheden verkopen betekent een stuiver nog wel wat. Voor ons individuen niet.
En als ik tijd als geld beschouw? Bij elkaar kost het me drie-en-een-halve minuut om de stuiver op te rapen. Ik houd ook mijn vrouw tegen, dus het kost twee keer drie-en-een-halve mens-minuut. Een stuiver in zeven minuten, dat is vijftig cent per uur. Een mager loon, in Nederland.
In China zou die vijf eurocent al veel meer waard zijn. Daar kun je een arbeider voor vijf dollar een ma\aand laten werken. Dus daar is die vijf eurocent minstens twee uur arbeid waard. Twee uur schoonmaken. Of twee uur op onze kinderen passen. Dan leren zee nog een mondje Chinees ook. Jammer dat het zo onpraktisch is iemand uit China over te vliegen.
En duurder dan die stuiver. Waarom is arbeid in China eigenlijk zo goedkoop, vergeleken met hier? Als zij het koper van mijn stuiver smelten verdienen ze er al aan. Ik vraag me ineens af of ze de Barbies die zij daar zo goedkoop maken, zelf wel zouden kunnen kopen. Hoeveel zouden die daar kosten?
Het stoplicht springt weer op groen. Ik en mijn dochter zijn weer met onze familie herenigd. “Waar ging het nou om?” vraagt mijn vrouw. “Ach, ik vond een stuiver en ik heb de wereld-economie overdacht” beken ik. Mijn vrouw schudt haar hoofd. “Was het de moeite waard?” Ik trek mijn schouders op en geef de stuiver aan mijn jongste dochter. “Ik weet het nog niet.”
Ons stoplicht springt al op oranje. Ik zie mijn vrouw doorfietsen, dan haalt ze het nog net. Maar ik heb de stuiver gezien. Ik lijk wel een eeuwigheid in dubio – al duurt het maar enkele seconden in werkelijkheid. Moet ik nu de stuiver pakken, en het stoplicht missen? Dit is toevallig één van die stoplichten die letterlijk drie minuten op rood blijft staan. En tijd is geld. Of in elk geval het risico van een gefrustreerde echtgenote en dochter aan de andere kant van de weg.
Inderdaad. Alle lichten op rood. Voor mij dan. Vrouwlief begrijpt inderdaad niet hoe ik het licht heb kunnen missen. Ze kijkt verwonderd over haar schouder, vijftig meter verderop. Ik buk en zwaai met de stuiver. Die ziet ze nog niet. Ik voel me een beetje gierig.
Was het het nu waard? Want wat kun je nu kopen van een stuiver, in de praktijk? Eigenlijk niets. Je kunt het inzetten als wisselgeld, of om netjes gepast te betalen. Stuivers passen al niet eens meer in veel automaten, dus daar zijn ze ook niet goed voor. Je kunt er tien bij elkaar sparen, en dan kun je naar een openbaar toilet. Of je kunt er twintig bij elkaar sparen en een gevulde koek of een croissant kopen. Je kunt je kinderen er mee laten spelen.
Een enkele stuiver is gewoon niet zo veel meer waard. Bij ons.
Bij ons hopen de stuivers en centen zich op in potjes en bokalen. Want wat moet je er anders mee. Het zou me niet verbazen als dat bij heel veel mensen in Noord Europa het geval is. Geen wonder dat het koper op raakt en de koperprijzen stijgen.
Alleen in grote hoeveelheden zetten stuivers zoden aan de dijk. Bij benzineprijzen, duizenden aandelen, energieprijzen, belastingtarieven. Vooral als je al die stuivers incasseert. Dus voor grote bedrijven die massaal kleine eenheden verkopen betekent een stuiver nog wel wat. Voor ons individuen niet.
En als ik tijd als geld beschouw? Bij elkaar kost het me drie-en-een-halve minuut om de stuiver op te rapen. Ik houd ook mijn vrouw tegen, dus het kost twee keer drie-en-een-halve mens-minuut. Een stuiver in zeven minuten, dat is vijftig cent per uur. Een mager loon, in Nederland.
In China zou die vijf eurocent al veel meer waard zijn. Daar kun je een arbeider voor vijf dollar een ma\aand laten werken. Dus daar is die vijf eurocent minstens twee uur arbeid waard. Twee uur schoonmaken. Of twee uur op onze kinderen passen. Dan leren zee nog een mondje Chinees ook. Jammer dat het zo onpraktisch is iemand uit China over te vliegen.
En duurder dan die stuiver. Waarom is arbeid in China eigenlijk zo goedkoop, vergeleken met hier? Als zij het koper van mijn stuiver smelten verdienen ze er al aan. Ik vraag me ineens af of ze de Barbies die zij daar zo goedkoop maken, zelf wel zouden kunnen kopen. Hoeveel zouden die daar kosten?
Het stoplicht springt weer op groen. Ik en mijn dochter zijn weer met onze familie herenigd. “Waar ging het nou om?” vraagt mijn vrouw. “Ach, ik vond een stuiver en ik heb de wereld-economie overdacht” beken ik. Mijn vrouw schudt haar hoofd. “Was het de moeite waard?” Ik trek mijn schouders op en geef de stuiver aan mijn jongste dochter. “Ik weet het nog niet.”
maandag 9 maart 2009
Toilet
Ja hoor. Moet ik weer plassen. En ik was nog juist naar het toilet geweest toen ik thuis de deur uit ging.
Op deze trein zijn geen WC's, dus moet ik maar even ophouden. Wel afleidend.
Oh ja. Op het centraal station zijn ook bijna geen toiletten meer. Alleen bij perron 1. En ik stap uit bij perron 14. Aan het andere uiteinde. Waarom zijn er eigenlijk nog zo weinig openbare toiletten in dit station? Alsof er niet meer mensen moeten plassen? Het is op zo'n station altijd beredruk. Dan kan ik me toch niet voorstellen dat die mensen nooit naar de WC moeten.
Ik herinner me een nachtmerrie-achtige wandeling door half Parijs met mijn toen aanstaande vrouw. Geen openbaar toilet te vinden. Wel een soort mensen-etende toiletzuil, maar die was buiten dienst. Zelfs in een groot restaurant konden we niet terecht. Dat toilet was alleen voor klanten, zo stampte een medewerkster met haar vinger. Gelukkig hoef ik ook weer niet zo ver. Denk ik.
Ik zou natuurlijk in die intercity kunnen springen en even stiekem van het toilet aan boord gebruik kunnen maken. Maar daar staat op “Verboden het toilet te gebruiken tijdens het oponthoud op de stations” of iets dergelijks. Dus dat mag niet. En stel je voor dat de trein wegrijdt terwijl ik er nog in zit, zonder kaartje. Kan ik weer terug rijden vanuit Maastricht.
En voor wildplassen is het echt te druk. Bovendien, stel je voor dat iedereen dat zomaar deed?
Nee, dan maar naar het geprivatiseerde openbare toilet. Natuurlijk is dat niet gratis, want daar krijg je alleen smerige toiletten van. Dan gaat maar iedereen zomaar naar de WC. Het kost vijftig cent.
Wat duur! En nog gepast betalen ook, want het automatische hekje met geldgleuf wisselt niet. Het moet maar. Er staat immers ook iemand om te controleren, en uit te leggen hoe het hekje werkt. Oh, ik ben bij het dames-toilet? Pardon.
Vijftig cent voelt als veel. Maar ja, het kost natuurlijk wel wat om zo'n man de hele dag op de hekjes laten letten. Die moet je ook ergens van betalen.
Je zou natuurlijk ook de hekjes kunnen weglaten, dan hoeft de man er helemaal niet te staan.
Nou ja, voor het veiligheidsgevoel is het wel goed. Zelfs al zullen zwervers niet vaak in het toilet komen, want die kunnen natuurlijk geen 50 cent missen. En hij kan de toiletten schoonhouden en toiletpapier ophangen. Dan hoeft hij zich niet zo te vervelen.
De huur van de ruimte kost natuurlijk ook geld. Een beetje toilet neemt al snel een paar vierkante meter ruimte in. En iedereen die Monopoly heeft gespeeld weet hoe duur stationsgrond is. Stadsgrond in het algemeen trouwens. Peperduur.
Zouden er daarom steeds minder openbare toiletten te vinden zijn in de stad? Omdat de grond te duur is? Nee toch?
Op deze trein zijn geen WC's, dus moet ik maar even ophouden. Wel afleidend.
Oh ja. Op het centraal station zijn ook bijna geen toiletten meer. Alleen bij perron 1. En ik stap uit bij perron 14. Aan het andere uiteinde. Waarom zijn er eigenlijk nog zo weinig openbare toiletten in dit station? Alsof er niet meer mensen moeten plassen? Het is op zo'n station altijd beredruk. Dan kan ik me toch niet voorstellen dat die mensen nooit naar de WC moeten.
Ik herinner me een nachtmerrie-achtige wandeling door half Parijs met mijn toen aanstaande vrouw. Geen openbaar toilet te vinden. Wel een soort mensen-etende toiletzuil, maar die was buiten dienst. Zelfs in een groot restaurant konden we niet terecht. Dat toilet was alleen voor klanten, zo stampte een medewerkster met haar vinger. Gelukkig hoef ik ook weer niet zo ver. Denk ik.
Ik zou natuurlijk in die intercity kunnen springen en even stiekem van het toilet aan boord gebruik kunnen maken. Maar daar staat op “Verboden het toilet te gebruiken tijdens het oponthoud op de stations” of iets dergelijks. Dus dat mag niet. En stel je voor dat de trein wegrijdt terwijl ik er nog in zit, zonder kaartje. Kan ik weer terug rijden vanuit Maastricht.
En voor wildplassen is het echt te druk. Bovendien, stel je voor dat iedereen dat zomaar deed?
Nee, dan maar naar het geprivatiseerde openbare toilet. Natuurlijk is dat niet gratis, want daar krijg je alleen smerige toiletten van. Dan gaat maar iedereen zomaar naar de WC. Het kost vijftig cent.
Wat duur! En nog gepast betalen ook, want het automatische hekje met geldgleuf wisselt niet. Het moet maar. Er staat immers ook iemand om te controleren, en uit te leggen hoe het hekje werkt. Oh, ik ben bij het dames-toilet? Pardon.
Vijftig cent voelt als veel. Maar ja, het kost natuurlijk wel wat om zo'n man de hele dag op de hekjes laten letten. Die moet je ook ergens van betalen.
Je zou natuurlijk ook de hekjes kunnen weglaten, dan hoeft de man er helemaal niet te staan.
Nou ja, voor het veiligheidsgevoel is het wel goed. Zelfs al zullen zwervers niet vaak in het toilet komen, want die kunnen natuurlijk geen 50 cent missen. En hij kan de toiletten schoonhouden en toiletpapier ophangen. Dan hoeft hij zich niet zo te vervelen.
De huur van de ruimte kost natuurlijk ook geld. Een beetje toilet neemt al snel een paar vierkante meter ruimte in. En iedereen die Monopoly heeft gespeeld weet hoe duur stationsgrond is. Stadsgrond in het algemeen trouwens. Peperduur.
Zouden er daarom steeds minder openbare toiletten te vinden zijn in de stad? Omdat de grond te duur is? Nee toch?
woensdag 4 maart 2009
Mediawet
“Van onze entertainmentredactie” staat er. NET5 en SBS 6, onze grote commerciële kanalen, gaan op enkele prime time programma's elke vijf tot zeven minuten onderbreken met reclameblokken. Hoi, ik hield al zo veel van reclames, nu krijg ik er nog meer. Nog vaker!
Eigenlijk niet natuurlijk. Zelfs al praten mijn schoonouders, die allebei een hekel hebben aan reclames, graag over de nieuwste reclame die ze nu wél leuk vinden. Het is ook een favoriet lunch-onderwerp: de nieuwste TV-commercials. “Die was nu echt leuk.” Zelfs onze sms-jes zijn niet veilig van de nieuwste vondst. Want bijna iedereen deed fijn mee met de “goeiemoggels” van KPN.
Elke onderbreking zou ongeveer drie minuten duren. Van elke tien minuten wordt dan een derde reclame. Een televisie-uur bestaat dan uit twintig minuten reclame, en veertig minuten programma. Amerikanen kennen dat al jaren. Elk uur in de thriller 24 duurt ook precies 40 minuten. Niet zestig. In een engels uur zit tot nog toe 50 minuten. Die hebben minder reclame.
Hoe komt dat nu, dat we nu pas naar het Amerikaanse model gaan, dan? Mensen houden blijkbaar toch zo van reclame, al zeggen ze van niet? Mocht het niet dan?
Nee. “Dit model wordt mogelijk gemaakt door de nieuwe mediawet.” Voorheen werden wij als kijker beschermd door de overheid tegen te veel reclames. Zelfs als het ging om commerciële zenders. Nu krijgen we er toch meer. Zou de overheid willen dat we wat meer lunchen en genieten van de nieuwste vondst van de reclamemakers?
Medy van der Laan stond een paar jaar terug op het punt om een en ander in Hilversum flink te veranderen. Uit een rapport bleek namelijk dat er wat veel overbodige managementlagen in medialand aanwezig waren. Als je die zou schrappen, dan zou Hilversum met vele miljoenen minder toe gekund en nog evenveel televisie gemaakt hebben.
Of het rapport klopte weet ik niet. Maar Hilversumse woordvoerders vonden het idee maar niets. Wellicht hoorden zij tot de te schrappen managementlagen. Een mediacampagne werd gelanceerd, en Medy werd onder druk gezet. Want in haar plannen stond ook dat de NPS opgeheven zou moeten worden, en dat, zo zeiden de actievoerders terecht, is een laatste relatief onafhankelijke zendgemachtigde. Die moet kwaliteit brengen ongeacht of er voldoende leden van een bepaalde overtuiging daarom vragen, en ongeacht of een adverteerder daar voor betaalt.
Medy moet zich vast afgevraagd hebben waar ze aan begonnen was. Een gevecht met de media win je niet zomaar, want die willen je dan niet zo graag meer positief afschilderen. Zelfs al heb je misschien gelijk. En wat moeten de lezers en kijkers dan denken?
Uiteindelijk koos ze eieren voor haar geld. De NPS bleef. En de managementlagen ook. Het extra geld moest dan maar van een andere bron komen. Meer tijd voor televisie-reclames, aanzienlijk meer tijd. Dan zouden de adverteerders het verschil wel betalen. Blijkbaar geldt die nieuwe “vrijstelling” ook voor de commerciële zenders.
NPS blij. Managementlagen blij. Adverteerders blij. En wie weet, wij ook wel. Want nu hebben we veel meer commercials waar we bij de lunch over kunnen praten. Wel jammer dat van een uur televisie nu zo weinig overblijft.
Eigenlijk niet natuurlijk. Zelfs al praten mijn schoonouders, die allebei een hekel hebben aan reclames, graag over de nieuwste reclame die ze nu wél leuk vinden. Het is ook een favoriet lunch-onderwerp: de nieuwste TV-commercials. “Die was nu echt leuk.” Zelfs onze sms-jes zijn niet veilig van de nieuwste vondst. Want bijna iedereen deed fijn mee met de “goeiemoggels” van KPN.
Elke onderbreking zou ongeveer drie minuten duren. Van elke tien minuten wordt dan een derde reclame. Een televisie-uur bestaat dan uit twintig minuten reclame, en veertig minuten programma. Amerikanen kennen dat al jaren. Elk uur in de thriller 24 duurt ook precies 40 minuten. Niet zestig. In een engels uur zit tot nog toe 50 minuten. Die hebben minder reclame.
Hoe komt dat nu, dat we nu pas naar het Amerikaanse model gaan, dan? Mensen houden blijkbaar toch zo van reclame, al zeggen ze van niet? Mocht het niet dan?
Nee. “Dit model wordt mogelijk gemaakt door de nieuwe mediawet.” Voorheen werden wij als kijker beschermd door de overheid tegen te veel reclames. Zelfs als het ging om commerciële zenders. Nu krijgen we er toch meer. Zou de overheid willen dat we wat meer lunchen en genieten van de nieuwste vondst van de reclamemakers?
Medy van der Laan stond een paar jaar terug op het punt om een en ander in Hilversum flink te veranderen. Uit een rapport bleek namelijk dat er wat veel overbodige managementlagen in medialand aanwezig waren. Als je die zou schrappen, dan zou Hilversum met vele miljoenen minder toe gekund en nog evenveel televisie gemaakt hebben.
Of het rapport klopte weet ik niet. Maar Hilversumse woordvoerders vonden het idee maar niets. Wellicht hoorden zij tot de te schrappen managementlagen. Een mediacampagne werd gelanceerd, en Medy werd onder druk gezet. Want in haar plannen stond ook dat de NPS opgeheven zou moeten worden, en dat, zo zeiden de actievoerders terecht, is een laatste relatief onafhankelijke zendgemachtigde. Die moet kwaliteit brengen ongeacht of er voldoende leden van een bepaalde overtuiging daarom vragen, en ongeacht of een adverteerder daar voor betaalt.
Medy moet zich vast afgevraagd hebben waar ze aan begonnen was. Een gevecht met de media win je niet zomaar, want die willen je dan niet zo graag meer positief afschilderen. Zelfs al heb je misschien gelijk. En wat moeten de lezers en kijkers dan denken?
Uiteindelijk koos ze eieren voor haar geld. De NPS bleef. En de managementlagen ook. Het extra geld moest dan maar van een andere bron komen. Meer tijd voor televisie-reclames, aanzienlijk meer tijd. Dan zouden de adverteerders het verschil wel betalen. Blijkbaar geldt die nieuwe “vrijstelling” ook voor de commerciële zenders.
NPS blij. Managementlagen blij. Adverteerders blij. En wie weet, wij ook wel. Want nu hebben we veel meer commercials waar we bij de lunch over kunnen praten. Wel jammer dat van een uur televisie nu zo weinig overblijft.
Botsing
Groepjes agenten hangen rond in het station. Het lijkt wel alsof ze allemaal binnen zijn. Buiten zie ik waarom. Druilerige regen valt uit de hemel op mijn neus. Bah. Ik wil alleen maar naar de grond kijken en zo snel mogelijk naar mijn bestemming toe.
Ik ben niet de enige die zo denkt. Een leuk blank meisje holt bijna een Marokkaanse jongen omver. Alsof hij niet anders gewend is maakt hij een beweging als elastiek, struikelt bijna, en loopt dan weer door. Hij zet nog net even zijn hoofdtelefoon van zijn walkman recht.
Grappig. Twee culturen botsen bijna. Letterlijk.
Zou een Marokkaans meisje ook een blanke jongen ondersteboven gelopen kunnen hebben? Misschien wel. Maar toch vind ik dat moeilijker om voor te stellen. Marokkaanse meisjes bewegen zich namelijk meer in groepen voort. Samen met hoofddoekjes, netjes beschroomd zoals het hoort. Natuurlijk wel bijdehand als het nodig is, als een jongen haar aanspreekt bijvoorbeeld.
Autochtone Nederlandse meisjes weten daar vaak minder raad mee. Die leren het “talk to the hand” gebaartje van hun Surinaamse en Marokkaanse zusters. Aandacht van een jongen is leuk, maar je moet wel iets in je mars hebben om haar te krijgen. Met zo'n houding ben je weer weerbaarder tegen, meestal allochtone, jongens die oefenen in verleiden en charmant zijn. Autochtone jongens kunnen dat meestal niet zo goed, die oefenen meer in de rol van Calvinistische hork. Die hoef je niet zo te weren, want die doen wel saai uit zichzelf.
Mannen en vrouwen in de traditionele Marokkaanse cultuur zijn gescheiden, en alleen getrouwde man en vrouw zijn intiem. Dat geldt al van heel jongs af aan, die scheiding. Meisjes blijven meer binnenshuis, meer bij elkaar. Ze zijn chaperones voor elkaar. Jongens worden juist de straat op geschopt. Ga maar buiten spelen.
Bij onze autochtone, geëmancipeerde Nederlandse randstad-cultuur zijn we natuurlijk allemaal gelijk. We zijn individuen, en we houden gepaste afstand van elkaar uit onszelf. Galant proberen we als man ook niet te veel te zijn, want we zouden er wel eens iets mee kunnen bedoelen. Bijvoorbeeld dat een vrouw niet gelijkwaardig zou zijn, en zelf de deur niet zou kunnen openhouden. We flirten ook anders. Of niet, of met een borrel op, want dan mag het wel. Dat kan een islamiet niet, want die hoort geen borrels te drinken. Eventueel wel een kopje muntthee.
Ik kan me zo voorstellen, dat als het blanke meisje wel tegen de Marokkaanse jongen was aangebotst, dat het iets tussen hen was geworden. Sorry, heb ik je pijn gedaan? Hij had vast verrassend charmant gereageerd – als hij haar leuk vond. Dan had hij haar uitgenodigd voor een kopje thee.
Als hij zelf niet uitgehuwelijkt is aan zijn achternichtje in Marokko, zou hij haar ten huwelijk kunnen vragen. Dat zou hij ook moeten doen, als hij zijn achtergrond en familie niet wil afvallen. En dan komen hij en zijn aanstaande voor de keus of zij dan ook Islamitisch wordt, en wellicht een hoofddoekje gaat dragen. Misschien wordt hij dan ook wel vromer als ze getrouwd zijn. En saaier. Hopelijk niet. Maar het zal wel wennen zijn voor allebei, aan hun cultuurverschillen.
Zouden meer Marokkaanse jongens met Hollandse meisjes trouwen, dan Hollandse jongens met Marokkaanse meisjes? Misschien moeten maar wat meer Hollandse jongens per ongeluk tegen een groepje Marokkaanse meiden aanlopen. Dan gebeurde er wel wat.
Alhoewel, dan krijgen ze vast ruzie met de broers van die meiden.
Ik ben niet de enige die zo denkt. Een leuk blank meisje holt bijna een Marokkaanse jongen omver. Alsof hij niet anders gewend is maakt hij een beweging als elastiek, struikelt bijna, en loopt dan weer door. Hij zet nog net even zijn hoofdtelefoon van zijn walkman recht.
Grappig. Twee culturen botsen bijna. Letterlijk.
Zou een Marokkaans meisje ook een blanke jongen ondersteboven gelopen kunnen hebben? Misschien wel. Maar toch vind ik dat moeilijker om voor te stellen. Marokkaanse meisjes bewegen zich namelijk meer in groepen voort. Samen met hoofddoekjes, netjes beschroomd zoals het hoort. Natuurlijk wel bijdehand als het nodig is, als een jongen haar aanspreekt bijvoorbeeld.
Autochtone Nederlandse meisjes weten daar vaak minder raad mee. Die leren het “talk to the hand” gebaartje van hun Surinaamse en Marokkaanse zusters. Aandacht van een jongen is leuk, maar je moet wel iets in je mars hebben om haar te krijgen. Met zo'n houding ben je weer weerbaarder tegen, meestal allochtone, jongens die oefenen in verleiden en charmant zijn. Autochtone jongens kunnen dat meestal niet zo goed, die oefenen meer in de rol van Calvinistische hork. Die hoef je niet zo te weren, want die doen wel saai uit zichzelf.
Mannen en vrouwen in de traditionele Marokkaanse cultuur zijn gescheiden, en alleen getrouwde man en vrouw zijn intiem. Dat geldt al van heel jongs af aan, die scheiding. Meisjes blijven meer binnenshuis, meer bij elkaar. Ze zijn chaperones voor elkaar. Jongens worden juist de straat op geschopt. Ga maar buiten spelen.
Bij onze autochtone, geëmancipeerde Nederlandse randstad-cultuur zijn we natuurlijk allemaal gelijk. We zijn individuen, en we houden gepaste afstand van elkaar uit onszelf. Galant proberen we als man ook niet te veel te zijn, want we zouden er wel eens iets mee kunnen bedoelen. Bijvoorbeeld dat een vrouw niet gelijkwaardig zou zijn, en zelf de deur niet zou kunnen openhouden. We flirten ook anders. Of niet, of met een borrel op, want dan mag het wel. Dat kan een islamiet niet, want die hoort geen borrels te drinken. Eventueel wel een kopje muntthee.
Ik kan me zo voorstellen, dat als het blanke meisje wel tegen de Marokkaanse jongen was aangebotst, dat het iets tussen hen was geworden. Sorry, heb ik je pijn gedaan? Hij had vast verrassend charmant gereageerd – als hij haar leuk vond. Dan had hij haar uitgenodigd voor een kopje thee.
Als hij zelf niet uitgehuwelijkt is aan zijn achternichtje in Marokko, zou hij haar ten huwelijk kunnen vragen. Dat zou hij ook moeten doen, als hij zijn achtergrond en familie niet wil afvallen. En dan komen hij en zijn aanstaande voor de keus of zij dan ook Islamitisch wordt, en wellicht een hoofddoekje gaat dragen. Misschien wordt hij dan ook wel vromer als ze getrouwd zijn. En saaier. Hopelijk niet. Maar het zal wel wennen zijn voor allebei, aan hun cultuurverschillen.
Zouden meer Marokkaanse jongens met Hollandse meisjes trouwen, dan Hollandse jongens met Marokkaanse meisjes? Misschien moeten maar wat meer Hollandse jongens per ongeluk tegen een groepje Marokkaanse meiden aanlopen. Dan gebeurde er wel wat.
Alhoewel, dan krijgen ze vast ruzie met de broers van die meiden.
zaterdag 28 februari 2009
Kort
“Nee, dat moet er dan toch maar uit.”
“Nog één keertje kijken?”
Het is een informatief stukje. Wist ik eigenlijk niet, dat het zo zat. De regisseuse ook niet. Daarom stond het ook in het script. De redactie vond het ook belangrijk.
Maar het helpt het verhaal niet specifiek verder. En het kost veel tijd. Wel twaalf seconden.
“We hebben maar een minuut voor dit stukje. En we zijn al te lang.”
Natuurlijk weten we dat de eindredactie, net als wij, dit stukje er het eerst uit zal gooien.
Het is namelijk wel leuk, en leerzaam, maar het helpt het verhaal niet verder.
Wat dat verhaal is? Och, twee mensen gaan een gevecht aan. En de vraag is wie zal winnen. Dat klinkt alsof je het zo kunt vertellen, maar we hebben er in totaal wel vijfentwintig minuten voor nodig. En elke seconde telt.
Waarom? Omdat dit programma wordt betaald door een sponsor. En die sponsor wil wel graag dat zijn boodschap wordt verteld. Daarom moeten mensen wel blijven kijken. Ze mogen geen knopjes op de afstandsbediening gaan indrukken. Ze mogen zelfs niet na gaan denken over wat er op een andere zender zou zijn. Eigenlijk moeten ze liefst helemaal even niet nadenken. Daar zap je alleen van weg.
De boodschap van de sponsor is overigens niet dat twee mensen vechten hoor. En de sponsor vindt het ook niet belangrijk wie er wint, denk ik. Als er maar gekeken wordt, en het imago van de sponsor maar positief uitgedragen wordt.
Nu is dat laatste al niet eenvoudig, want de boodschap van de sponsor zelf is ook al heel storend. Als we ons werk als aandacht trekkende programmamaker echt goed wilden doen, zouden we die boodschap als eerste wegsnijden. Hij is namelijk saai, niet zo heel informatief, voelt onecht aan (is het natuurlijk ook), en bovendien lang. Wel twaalf seconden.
Elk moment telt. Want anders zappen mensen misschien weg. En dat is weer slecht voor onze kijkcijfers. Kijkcijfers waarvoor adverteerders betalen. Die willen hun commercials immers tussen de meest succesvolle programma's plaatsen. Commercials die zelf ook weer dodelijk kunnen zijn voor je kijkcijfer trouwens. Je moet als programmamaker behoorlijk wat capriolen uithalen om te zorgen dat mensen na de reclame wel terugkomen van hun bezoek aan het toilet.
Kom terug na de reclame! Het is echt nog heel spannend! Blijf kijken! Anders doen wij ons werk ook voor niets, en worden we niet meer ingehuurd.
Echt tijd voor nieuwe informatie hebben we niet meer. Geen nieuwe inhoud. Geen ingewikkelde concepten. Een nieuw verhaal vertellen is ook best gevaarlijk. Want over een nieuw verhaal gaan mensen alleen maar nadenken. En van nadenken kun je gaan wegzappen. Dus we moeten spannend blijven. Snel, sneller, snelst. Kort, korter, kortst.
“Nog één keertje kijken?”
Het is een informatief stukje. Wist ik eigenlijk niet, dat het zo zat. De regisseuse ook niet. Daarom stond het ook in het script. De redactie vond het ook belangrijk.
Maar het helpt het verhaal niet specifiek verder. En het kost veel tijd. Wel twaalf seconden.
“We hebben maar een minuut voor dit stukje. En we zijn al te lang.”
Natuurlijk weten we dat de eindredactie, net als wij, dit stukje er het eerst uit zal gooien.
Het is namelijk wel leuk, en leerzaam, maar het helpt het verhaal niet verder.
Wat dat verhaal is? Och, twee mensen gaan een gevecht aan. En de vraag is wie zal winnen. Dat klinkt alsof je het zo kunt vertellen, maar we hebben er in totaal wel vijfentwintig minuten voor nodig. En elke seconde telt.
Waarom? Omdat dit programma wordt betaald door een sponsor. En die sponsor wil wel graag dat zijn boodschap wordt verteld. Daarom moeten mensen wel blijven kijken. Ze mogen geen knopjes op de afstandsbediening gaan indrukken. Ze mogen zelfs niet na gaan denken over wat er op een andere zender zou zijn. Eigenlijk moeten ze liefst helemaal even niet nadenken. Daar zap je alleen van weg.
De boodschap van de sponsor is overigens niet dat twee mensen vechten hoor. En de sponsor vindt het ook niet belangrijk wie er wint, denk ik. Als er maar gekeken wordt, en het imago van de sponsor maar positief uitgedragen wordt.
Nu is dat laatste al niet eenvoudig, want de boodschap van de sponsor zelf is ook al heel storend. Als we ons werk als aandacht trekkende programmamaker echt goed wilden doen, zouden we die boodschap als eerste wegsnijden. Hij is namelijk saai, niet zo heel informatief, voelt onecht aan (is het natuurlijk ook), en bovendien lang. Wel twaalf seconden.
Elk moment telt. Want anders zappen mensen misschien weg. En dat is weer slecht voor onze kijkcijfers. Kijkcijfers waarvoor adverteerders betalen. Die willen hun commercials immers tussen de meest succesvolle programma's plaatsen. Commercials die zelf ook weer dodelijk kunnen zijn voor je kijkcijfer trouwens. Je moet als programmamaker behoorlijk wat capriolen uithalen om te zorgen dat mensen na de reclame wel terugkomen van hun bezoek aan het toilet.
Kom terug na de reclame! Het is echt nog heel spannend! Blijf kijken! Anders doen wij ons werk ook voor niets, en worden we niet meer ingehuurd.
Echt tijd voor nieuwe informatie hebben we niet meer. Geen nieuwe inhoud. Geen ingewikkelde concepten. Een nieuw verhaal vertellen is ook best gevaarlijk. Want over een nieuw verhaal gaan mensen alleen maar nadenken. En van nadenken kun je gaan wegzappen. Dus we moeten spannend blijven. Snel, sneller, snelst. Kort, korter, kortst.
Kattenbak
“Hoe vind je onze nieuwe kattenbak trouwens?”
De vriend kijkt wat verward.
“Ruik je 'm?”
“Nee. Eigenlijk niet.”
Aan zijn verwonderde gezicht zie ik dat hij er over na begint te denken.
Onze kattenbak staat namelijk noodgedwongen in de keuken. Daar kon hij relatief het minst kwaad. Want wat katten produceren kan aardig stinken. En in de keuken zelf zijn we relatief weinig. Wel in de eetkamer en woonkamer. Maar ideaal is het natuurlijk niet. Want je wilt toch ook lekker eten maken. Niet iets dat ruikt naar katten-excrement.
“Ga maar eens kijken, wat er in zit.”
Mijn vriend bromt en staat nieuwsgierig op. Met grote passen verdwijnt hij naar de keuken.
“Het is zwart!”
Inderdaad. Het is tuinaarde. Nadat ik gelezen had over het negentiende-eeuwse aarde-toilet van Henry Moule, wilde ik het natuurlijk wel zelf uitproberen. Gewone droge tuinaarde blijkt namelijk prima mest te verteren. In een week of drie, vier is de mest helemaal verdwenen, en zelf aarde geworden. Bovendien dempt het de vieze geur, zeker als de uitwerpselen even ondergeschoffeld zijn. En urine wordt ook aardig opgenomen.
Met onze eigen toilet een experiment aangaan durfde ik nog net niet, maar een kattenbak vullen met aarde in plaats van cementkorrels is natuurlijk zo gedaan. En het werkt verbluffend goed. Ons eten ruikt weer echt naar eten, in de keuken, en niet naar iets anders uit de kattenbak.
De vrouw van mijn vriend peinst wat. “Gooien ze dan niet allemaal aarde op de grond?” Ja, dat hangt natuurlijk van de kat af. Maar de onze zijn blijkbaar heel netjes. Ze vinden de aarde ook helemaal niet raar. We doen ongeveer één of twee weken met een bak voor we de resten bij de compost gooien. Als je in de stad woont is dat misschien wat lastiger, maar ja, kattengrit moet ook ergens heen. En dat kan niet eens bij het groenafval. Ik hoorde wel eens dat grit het grootste deel van het huisvuil behelst.
“Je moet niet al te erg schrikken als je wat vreemde schimmels in de bak ziet.” beken ik.
“Maar als je op tijd verschoont ruik je eigenlijk niets. Gek he?”
Mijn vriend en zijn vrouw kijken allebei wat glazig. Ze moeten nog even wennen aan het idee.
“Onze katten zijn nog erg jong, hun poep stinkt echt heel erg”, zegt zij.
Natuurlijk weet ik dan niet of het ook nog werkt. Maar ik denk het wel.
“Ach, we hebben echt hele goeie korrels nu. Deluxe kristallen met geur-absorbtie.” zegt hij.
Ja, dat zou ik niet weten. Die vond ik altijd veel te duur. Ieder zijn eigen manier om het probleem aan te vallen, besluiten we dan maar.
Meer dan een maand later gaat mijn vrouw bij onze vrienden op bezoek. Een nieuw baby'tje. Prachtig, en lief. Naast het toilet voor grote mensen vindt ze de kattenbak. Dan staat hij het dichtst bij een goede afzuiging. En ze ruikt ook niets ondanks dat de bak open is, zonder dakje. Want er in zit... tuinaarde.
De vriend kijkt wat verward.
“Ruik je 'm?”
“Nee. Eigenlijk niet.”
Aan zijn verwonderde gezicht zie ik dat hij er over na begint te denken.
Onze kattenbak staat namelijk noodgedwongen in de keuken. Daar kon hij relatief het minst kwaad. Want wat katten produceren kan aardig stinken. En in de keuken zelf zijn we relatief weinig. Wel in de eetkamer en woonkamer. Maar ideaal is het natuurlijk niet. Want je wilt toch ook lekker eten maken. Niet iets dat ruikt naar katten-excrement.
“Ga maar eens kijken, wat er in zit.”
Mijn vriend bromt en staat nieuwsgierig op. Met grote passen verdwijnt hij naar de keuken.
“Het is zwart!”
Inderdaad. Het is tuinaarde. Nadat ik gelezen had over het negentiende-eeuwse aarde-toilet van Henry Moule, wilde ik het natuurlijk wel zelf uitproberen. Gewone droge tuinaarde blijkt namelijk prima mest te verteren. In een week of drie, vier is de mest helemaal verdwenen, en zelf aarde geworden. Bovendien dempt het de vieze geur, zeker als de uitwerpselen even ondergeschoffeld zijn. En urine wordt ook aardig opgenomen.
Met onze eigen toilet een experiment aangaan durfde ik nog net niet, maar een kattenbak vullen met aarde in plaats van cementkorrels is natuurlijk zo gedaan. En het werkt verbluffend goed. Ons eten ruikt weer echt naar eten, in de keuken, en niet naar iets anders uit de kattenbak.
De vrouw van mijn vriend peinst wat. “Gooien ze dan niet allemaal aarde op de grond?” Ja, dat hangt natuurlijk van de kat af. Maar de onze zijn blijkbaar heel netjes. Ze vinden de aarde ook helemaal niet raar. We doen ongeveer één of twee weken met een bak voor we de resten bij de compost gooien. Als je in de stad woont is dat misschien wat lastiger, maar ja, kattengrit moet ook ergens heen. En dat kan niet eens bij het groenafval. Ik hoorde wel eens dat grit het grootste deel van het huisvuil behelst.
“Je moet niet al te erg schrikken als je wat vreemde schimmels in de bak ziet.” beken ik.
“Maar als je op tijd verschoont ruik je eigenlijk niets. Gek he?”
Mijn vriend en zijn vrouw kijken allebei wat glazig. Ze moeten nog even wennen aan het idee.
“Onze katten zijn nog erg jong, hun poep stinkt echt heel erg”, zegt zij.
Natuurlijk weet ik dan niet of het ook nog werkt. Maar ik denk het wel.
“Ach, we hebben echt hele goeie korrels nu. Deluxe kristallen met geur-absorbtie.” zegt hij.
Ja, dat zou ik niet weten. Die vond ik altijd veel te duur. Ieder zijn eigen manier om het probleem aan te vallen, besluiten we dan maar.
Meer dan een maand later gaat mijn vrouw bij onze vrienden op bezoek. Een nieuw baby'tje. Prachtig, en lief. Naast het toilet voor grote mensen vindt ze de kattenbak. Dan staat hij het dichtst bij een goede afzuiging. En ze ruikt ook niets ondanks dat de bak open is, zonder dakje. Want er in zit... tuinaarde.
donderdag 29 januari 2009
Pool

“Nee, er is gewoon geen goede autochtone loodgieter meer te vinden! Ze komen niet opdagen, ze leveren broddelwerk af. En ze kosten te veel.”
Ik wil het graag met haar oneens zijn. Maar ik heb ook hard naar goede aannemers, klussers en loodgieters moeten zoeken. Het viel mij ook vaak tegen.
“En Polen doen hun werk gewoon goed, ze komen opdagen, ze leveren kwaliteit...”
“En ze kosten nog minder ook”, vul ik aan. Ik zucht.
Graag had ik een pleidooi gegeven dat er niets van de marktwerking klopt. Dat autochtone, echte Nederlandse loodgieters en klussers altijd prima zijn. En dat ze alleen niet kunnen concurreren omdat de euro voor ons iets anders waard is dan voor iemand uit het voormalig Oostblok.
De Pool immers kan zich veroorloven voor een tijdje veel minder te vragen voor zijn arbeid. Die gaat weer terug naar zijn thuisland, en is dan relatief rijk met het geld dat hij hier heeft verdiend. Hij koopt daar een huis, dat veel goedkoper is dan hier, en een tijdje hard werken hier is goed beloond.
Een Nederlandse bouwvakker kan zich dat niet veroorloven. Hij zal immers niet zo snel een huis in Polen gaan kopen. Dan moet je Pools leren, en eventueel een Poolse partner zoeken. Dat is veel werk. Dus dan blijf je liever hier. Maar huizen hier zijn vooralsnog aanmerkelijk duurder. Voor het loon gaan werken waar de Pool het zich wel kan veroorloven is geen optie.
Dus wat dan te doen? Je kunt zwart gaan werken, en op die manier meer over proberen te houden. Ik vermoed dat die optie nog wel eens wordt benut. Maar als de Pool ook zwart werkt, dan is die potentieel nog weer goedkoper. En het is de vraag of je winst op termijn zo groot genoeg is.
Je kunt gaan afraffelen. Je houdt dan meer tijd over voor andere klussen. Dat gaat wel ten koste van je naam, want je levert minder kwaliteit.
Je kunt gaan sjoemelen en afpersen. Ook niet goed voor de reputatie van de landgenoten in je vakgroep. Net zo min als Polen gaan slaan, in het water gooien, of negatieve reclame over ze verspreiden.
Je kunt gaan klagen, en proberen uitzonderingen in de wet te bewerkstelligen. Dat wordt ook gedaan, met wisselend succes.
Je kunt heel goedkoop proberen te leven. Dat lukt de oudere generatie wellicht nog een beetje, met huurbescherming sinds 1970. Die sterven op termijn uit.
Je kunt zelf Polen inhuren en ze voor je laten werken. Je verhuurt hen dan aan anderen voor een tarief dat nog steeds flink onder het tarief van de vrije autochtoon ligt, maar ook een aardige winstmarge voor jou overlaat. Helaas moet je dan wel zo lang mogelijk voorkomen dat de Polen direct voor de klant gaan werken. Dus het is wel handig als je jezelf onontbeerlijk weet te maken. Dat kan op verschillende, al dan niet prettige of legale manieren.
Of... je kunt een ander soort werk zoeken. Zeker als je iets in je mars hebt is dat een optie. Ik vermoed dat vooral de potentieel kundige mensen op die manier verdwijnen. Zij worden gewoon IT-er of ingenieur. En op die manier geven zij op termijn toch mijn vriendin gelijk: er is dan geen goed werkende autochtone loodgieter of klusser meer te vinden. Jammer.
Sparen
Moet ik nu wel gaan sparen of niet? Normaal zou ik sparen voor iets leuks. Maar nu impliceren de media dat ik moet sparen voor de crisis die er aan komt.
Dat zeggen de advertenties van banken ook. Ik kan beter gaan sparen dan gaan beleggen. Beleggen is passé. Van gisteren. Dat wist iedereen al lang, maar sinds de crisis weten we het zeker.
Als we nu met z'n allen eens ons geld op de bank zetten en gaan wachten, voor zover we kunnen natuurlijk. Dan sparen we allemaal lekker. Eigenlijk zouden we dan ook niets meer moeten kopen, dan houden we nog meer over. Ja.
Maar als ik er over nadenk werkt dat natuurlijk niet. Want als we niets kopen van onze bakker, metselaar, electronica-dealer of huishoudster, dan hebben zij geen inkomen meer. Als we alles op de bank zetten heeft alleen de bank dan inkomen. En zelfs die misschien wel niet, want zij moeten ons nog rente betalen. En als niemand iets van ons wil kopen, zelfs geen arbeid, dan hebben wij ook geen inkomen.
Dus als we allemaal als gekken geld gaan sparen helpen wij de economie ook niet verder. Het klinkt gek, maar geld moet wel rollen.
Als ik spaar doe ik zelf niet mee in de economie. Ik investeer niet. Niet in vastgoed of andermans schulden, maar ook niet in nuttige dingen. Ik zit alleen te wachten tot ik het geld nodig heb, en misschien of het een beetje groeit, intussen. Als de bank maar niet klapt waar ik het op zet. Dat lijkt ook al een soort loterij.
De enige die nog wel kan investeren als wij sparen, is de bank die ons geld dan beheert. De bank kan dan met ons geld kiezen wie er wel een lening waard is. De bank kan dan gokken wat het meeste rendement zal geven.
En zoals we net hebben kunnen zien zijn banken daar niet per se goed in. Helemaal niet, eigenlijk.
Ik denk dat ik voorlopig maar even blijf investeren in producten waar ik in geloof. En ik geloof dat een bank daar in het algemeen niet bij hoort.
Dat zeggen de advertenties van banken ook. Ik kan beter gaan sparen dan gaan beleggen. Beleggen is passé. Van gisteren. Dat wist iedereen al lang, maar sinds de crisis weten we het zeker.
Als we nu met z'n allen eens ons geld op de bank zetten en gaan wachten, voor zover we kunnen natuurlijk. Dan sparen we allemaal lekker. Eigenlijk zouden we dan ook niets meer moeten kopen, dan houden we nog meer over. Ja.
Maar als ik er over nadenk werkt dat natuurlijk niet. Want als we niets kopen van onze bakker, metselaar, electronica-dealer of huishoudster, dan hebben zij geen inkomen meer. Als we alles op de bank zetten heeft alleen de bank dan inkomen. En zelfs die misschien wel niet, want zij moeten ons nog rente betalen. En als niemand iets van ons wil kopen, zelfs geen arbeid, dan hebben wij ook geen inkomen.
Dus als we allemaal als gekken geld gaan sparen helpen wij de economie ook niet verder. Het klinkt gek, maar geld moet wel rollen.
Als ik spaar doe ik zelf niet mee in de economie. Ik investeer niet. Niet in vastgoed of andermans schulden, maar ook niet in nuttige dingen. Ik zit alleen te wachten tot ik het geld nodig heb, en misschien of het een beetje groeit, intussen. Als de bank maar niet klapt waar ik het op zet. Dat lijkt ook al een soort loterij.
De enige die nog wel kan investeren als wij sparen, is de bank die ons geld dan beheert. De bank kan dan met ons geld kiezen wie er wel een lening waard is. De bank kan dan gokken wat het meeste rendement zal geven.
En zoals we net hebben kunnen zien zijn banken daar niet per se goed in. Helemaal niet, eigenlijk.
Ik denk dat ik voorlopig maar even blijf investeren in producten waar ik in geloof. En ik geloof dat een bank daar in het algemeen niet bij hoort.
Cadeauverpakking
“Wat vind jij nou eigenlijk aantrekkelijk? Sexy?”
We lopen door de afdeling met cadeau-verpakkingen voor dames. Lingerie.
Ik kijk wat rond.
“Jou. Als jij het draagt, dat maakt al heel veel uit.”
Dat is gewoon zo. Je wilt niet voor niets met iemand trouwen.
“Dus het maakt eigenlijk niet uit wat ik aan heb.”
Ze lijkt bijna teleurgesteld.
“Ja, toch wel. Maar een stuk minder dan je wellicht denkt. Ook een trainingsbroek kan je ontzettend sexy staan. Uitstraling is echt veel belangrijker.”
Ik wijs een paar dingen aan die ik wel leuk vind. Maar de stijl van de winkel is een beetje conservatief en eigenlijk ook saai.
“Helemaal niets aan staat je heel sexy!”
Een beetje bloot is best belangrijk. Een lage decolleté trekt absoluut aandacht. Maar ja, zo red ik me er niet uit natuurlijk. Ik denk na wat ik sexy vind. Billen? Borsten? Benen? Voeten? Handen? Het kan eigenlijk allemaal. Mooi haar?
“Eigenlijk is de uitstraling echt het belangrijkst. Ik denk dat ik de ogen, of iemands blik het meest sexy kan vinden.”
Ik hoor haar snuiven terwijl we de roltrap af gaan. Zou ze het geloven?
“Wat vind jij sexy aan een man?”
Ze denkt even na. Ze knikt met een bijna verraste glimlach.
“Ja. Een man met sexy ogen, een sensuele blik. Dat is wel het meest aantrekkelijk.”
Op de feest-afdeling staan ook dingen die sexy moeten zijn.
“Rood doet het misschien wel iets beter.” Dat schijnt ook recent wetenschappelijk aangetoond te zijn. Mannen vinden gemiddeld de foto van een vrouw in rode kleding meer sexy dan van diezelfde vrouw in een andere kleur.
Ze houdt met een lach iets omhoog.
“Zou dit me staan?”
Het rood van de feest-jurkjes en pruiken ziet er toch wel heel nep uit. Niet aantrekkelijk. Althans niet zonder een flinke hoeveelheid alcohol en Hazes. Ach, of als mijn vrouw het draagt.
“Hoe lang houd je het dan aan?”
Ze lacht.
“Chique spul, goed afgewerkt. Dat werkt beter. Met liefde en zorg gemaakt om mooi te zijn. Ook meestal duurder dus.”
“Ja, kwaliteit. Dat je ziet dat je er zorg aan besteedt.”
We fietsen terug naar huis. Blij dat ik iets warms aan heb. En sportief warm ondergoed.
“Gek genoeg ziet het er ook meer sexy uit als het lekker zit. Als je ziet dat de ander het met plezier draagt.”
“Ja. Omdat je je ook sensueel voelt in iets wat lekker zit. Omdat je goed voor jezelf zorgt. Dat je je dan makkelijk met vertrouwen en plezier beweegt. Ja dat is inderdaad sexy.”
Dus een goede cadeauverpakking is chique, met zorg gemaakt, en zit vooral lekker.
We lopen door de afdeling met cadeau-verpakkingen voor dames. Lingerie.
Ik kijk wat rond.
“Jou. Als jij het draagt, dat maakt al heel veel uit.”
Dat is gewoon zo. Je wilt niet voor niets met iemand trouwen.
“Dus het maakt eigenlijk niet uit wat ik aan heb.”
Ze lijkt bijna teleurgesteld.
“Ja, toch wel. Maar een stuk minder dan je wellicht denkt. Ook een trainingsbroek kan je ontzettend sexy staan. Uitstraling is echt veel belangrijker.”
Ik wijs een paar dingen aan die ik wel leuk vind. Maar de stijl van de winkel is een beetje conservatief en eigenlijk ook saai.
“Helemaal niets aan staat je heel sexy!”
Een beetje bloot is best belangrijk. Een lage decolleté trekt absoluut aandacht. Maar ja, zo red ik me er niet uit natuurlijk. Ik denk na wat ik sexy vind. Billen? Borsten? Benen? Voeten? Handen? Het kan eigenlijk allemaal. Mooi haar?
“Eigenlijk is de uitstraling echt het belangrijkst. Ik denk dat ik de ogen, of iemands blik het meest sexy kan vinden.”
Ik hoor haar snuiven terwijl we de roltrap af gaan. Zou ze het geloven?
“Wat vind jij sexy aan een man?”
Ze denkt even na. Ze knikt met een bijna verraste glimlach.
“Ja. Een man met sexy ogen, een sensuele blik. Dat is wel het meest aantrekkelijk.”
Op de feest-afdeling staan ook dingen die sexy moeten zijn.
“Rood doet het misschien wel iets beter.” Dat schijnt ook recent wetenschappelijk aangetoond te zijn. Mannen vinden gemiddeld de foto van een vrouw in rode kleding meer sexy dan van diezelfde vrouw in een andere kleur.
Ze houdt met een lach iets omhoog.
“Zou dit me staan?”
Het rood van de feest-jurkjes en pruiken ziet er toch wel heel nep uit. Niet aantrekkelijk. Althans niet zonder een flinke hoeveelheid alcohol en Hazes. Ach, of als mijn vrouw het draagt.
“Hoe lang houd je het dan aan?”
Ze lacht.
“Chique spul, goed afgewerkt. Dat werkt beter. Met liefde en zorg gemaakt om mooi te zijn. Ook meestal duurder dus.”
“Ja, kwaliteit. Dat je ziet dat je er zorg aan besteedt.”
We fietsen terug naar huis. Blij dat ik iets warms aan heb. En sportief warm ondergoed.
“Gek genoeg ziet het er ook meer sexy uit als het lekker zit. Als je ziet dat de ander het met plezier draagt.”
“Ja. Omdat je je ook sensueel voelt in iets wat lekker zit. Omdat je goed voor jezelf zorgt. Dat je je dan makkelijk met vertrouwen en plezier beweegt. Ja dat is inderdaad sexy.”
Dus een goede cadeauverpakking is chique, met zorg gemaakt, en zit vooral lekker.
Heus
Weer een dreigende kop in de krant. De kredietcrisis komt nu heus ook zo dichtbij dat we het hier ook gaan merken. Eigenlijk koppen ze dat al weken. Maar nu is het echt, echt, écht zo ver, heus. Ik merk dat er toch ook dit keer een schok door me heen gaat.
Zou het nu wél waar zijn? Ook voor mij? Volgens de kranten had ik al op straat moeten staan, maar ik merk niets als ik gewoon om me heen kijk en de kranten negeer. Ook mijn collega's, vrienden en kennissen zien nog weinig echt verschil. Maar wat gedrukt staat is waar, toch?
Ik staar blijkbaar zo lang naar het krantje van mijn overbuurvrouw dat zij het maar aan mij geeft. “Alsjeblieft, ik word alweer helemaal boos van al die berichten.” Zij heeft het meer over de oorlog op de Gaza-strook, geloof ik. Maar ik denk dat de andere berichten haar net zo chagrijnig maken als ze dat bij mij doen. “Explosieve toename gebruik pandhuizen” staat er, voorop.
Als ik het stuk lees word ik niet veel wijzer. Waarom er precies “explosief” staat, weet ik nog steeds niet. Een keten van pandhuizen heeft een grotere winstgroei dan vorige jaren. En iemand die daar werkt zegt dat hij nu ook vaker autochtonen in zijn zaak ziet dan vroeger. De overheid schijnt ook eens te willen kijken of de rentes die bij pandjeshuizen worden gevraagd niet excessief zijn. Ik denk van wel.
Er staat namelijk 10% tot 20% genoemd. Dan vind ik het nog knap dat toch 70% van de mensen hun pand kan terug kopen. Zoals het stukje nu gepubliceerd is suggereert het natuurlijk het tegenovergestelde: dat 70% weinig zou zijn. Jammer genoeg staat er niet of de gevraagde rente bij pandhuizen is gestegen, afgelopen jaar, en dat daarom de winst wellicht ook mee is gestegen.
De hoofdkop van een ander krantje is niet veel beter. “Alle lichten op rood”. Maar bij nader inzien gaat het weer vooral over USA en UK. Bij ons is met name de groeiverwachting minder, en zeggen geïnterviewde experts dat wij het direct merken als de wereldhandel achteruit gaat. Dus eigenlijk zegt dat ook weer bijna niets over wat nu echt in Europa en Nederland gebeurt.
Ik zucht. “Het lijkt wel of kranten ons alleen willen bang maken.” zeg ik tegen de vrouw die me het krantje aanreikte. Ze is het met me eens. Ik ga maar uit het raam kijken en genieten van het mooie weer. De zon schijnt erg fijn op mijn gezicht. Een paar haltes later kijk ik nog even naar mijn overbuurvrouw. Ik lach. Ze lacht terug. Onze dag is weer goed. Gewoon zelf uit het raam kijken naar hoe het met de wereld staat. Dat is eigenlijk veel leuker.
Zou het nu wél waar zijn? Ook voor mij? Volgens de kranten had ik al op straat moeten staan, maar ik merk niets als ik gewoon om me heen kijk en de kranten negeer. Ook mijn collega's, vrienden en kennissen zien nog weinig echt verschil. Maar wat gedrukt staat is waar, toch?
Ik staar blijkbaar zo lang naar het krantje van mijn overbuurvrouw dat zij het maar aan mij geeft. “Alsjeblieft, ik word alweer helemaal boos van al die berichten.” Zij heeft het meer over de oorlog op de Gaza-strook, geloof ik. Maar ik denk dat de andere berichten haar net zo chagrijnig maken als ze dat bij mij doen. “Explosieve toename gebruik pandhuizen” staat er, voorop.
Als ik het stuk lees word ik niet veel wijzer. Waarom er precies “explosief” staat, weet ik nog steeds niet. Een keten van pandhuizen heeft een grotere winstgroei dan vorige jaren. En iemand die daar werkt zegt dat hij nu ook vaker autochtonen in zijn zaak ziet dan vroeger. De overheid schijnt ook eens te willen kijken of de rentes die bij pandjeshuizen worden gevraagd niet excessief zijn. Ik denk van wel.
Er staat namelijk 10% tot 20% genoemd. Dan vind ik het nog knap dat toch 70% van de mensen hun pand kan terug kopen. Zoals het stukje nu gepubliceerd is suggereert het natuurlijk het tegenovergestelde: dat 70% weinig zou zijn. Jammer genoeg staat er niet of de gevraagde rente bij pandhuizen is gestegen, afgelopen jaar, en dat daarom de winst wellicht ook mee is gestegen.
De hoofdkop van een ander krantje is niet veel beter. “Alle lichten op rood”. Maar bij nader inzien gaat het weer vooral over USA en UK. Bij ons is met name de groeiverwachting minder, en zeggen geïnterviewde experts dat wij het direct merken als de wereldhandel achteruit gaat. Dus eigenlijk zegt dat ook weer bijna niets over wat nu echt in Europa en Nederland gebeurt.
Ik zucht. “Het lijkt wel of kranten ons alleen willen bang maken.” zeg ik tegen de vrouw die me het krantje aanreikte. Ze is het met me eens. Ik ga maar uit het raam kijken en genieten van het mooie weer. De zon schijnt erg fijn op mijn gezicht. Een paar haltes later kijk ik nog even naar mijn overbuurvrouw. Ik lach. Ze lacht terug. Onze dag is weer goed. Gewoon zelf uit het raam kijken naar hoe het met de wereld staat. Dat is eigenlijk veel leuker.
Leuk
“Nee. Dat mag niet.”
Ik zie mijn dochter al heel beteuterd kijken.
“Het mag alleen... het mag alleen als je het leuk vindt.”
Het begon een beetje als een grapje. Als omgekeerde psychologie, omdat er geen land met haar of haar zus te bezeilen was. Als je dan iets onverwachts doet, dan heb je vaak weer even de aandacht. En soms kan dat genoeg zijn om de stemming helemaal om te buigen. Dan is het weer leuk.
“Waarom zeg je dat?”
Dat is een beetje haar standaardvraag. Maar ze meent het wel. Ze wil graag weten of ik een grapje maak of dat ik het meen. Allebei een beetje. Ik meen wat ik zeg. Maar het is ook een soort grapje.
“Je houdt me gewoon voor de gek.”
Ze lacht, en het is weer goed. Haar jongere partner in crime denkt diep na en kijkt me een beetje scheef aan. Rare papa.
Maar misschien zit ter ook wel iets in. Als in een adagium waar je ook jezelf aan kunt herinneren. Of iets wat je net zo goed kunt zeggen, en menen, tegen andere volwassenen.
We leren zo veel dingen doen uit beleefdheid. Vinden we het zelf leuk? Soms denken we daar niet eens meer over na. Of we nemen niet de tijd om te voelen of we het leuk vinden. Ja natuurlijk doen we het, want dat wordt van ons verwacht. En we vinden het heus niet erg hoor.
“Niet erg” is niet het zelfde als “leuk”. Bij nader inzien zijn er wel wat zaken waar je jezelf echt geen keus wilt geven. Belasting betalen of zo. Dat weet je dan ook weer. Maar voor de rest...
Hoeveel dingen doen we niet dagelijks in een soort sleur, als we niet uitkijken? Zorgen maken, nadenken, krant lezen, snoep eten, op visite gaan, voor de televisie hangen. Een direct klaar maaltijd eten, of juist uitgebreid iets gezonds koken dat je nu net niet lust. Zelfs ons werk en onze partner kunnen ten prooi vallen aan “heus niet erg hoor”.
Want heus niet erg kan soms ook betekenen dat we ons er eigenlijk niet prettig bij voelen. Dat ken ik helaas ook wel. In een soort wacht-stand springen, als een apparaat dat op zijn beurt wacht om weer eens zelf te mogen kiezen. Morgen, of zo. Meestal morgen, zelden vandaag.
Bij nader inzien is het grapje heel serieus. Laat ik het eens proberen. Wat het ook is, ik moet niets.
Sterker nog, ik mag het niet. Behalve... als ik het leuk vind.
Jij ook. Je mag het niet. Behalve... als je het leuk vindt.
Ik zie mijn dochter al heel beteuterd kijken.
“Het mag alleen... het mag alleen als je het leuk vindt.”
Het begon een beetje als een grapje. Als omgekeerde psychologie, omdat er geen land met haar of haar zus te bezeilen was. Als je dan iets onverwachts doet, dan heb je vaak weer even de aandacht. En soms kan dat genoeg zijn om de stemming helemaal om te buigen. Dan is het weer leuk.
“Waarom zeg je dat?”
Dat is een beetje haar standaardvraag. Maar ze meent het wel. Ze wil graag weten of ik een grapje maak of dat ik het meen. Allebei een beetje. Ik meen wat ik zeg. Maar het is ook een soort grapje.
“Je houdt me gewoon voor de gek.”
Ze lacht, en het is weer goed. Haar jongere partner in crime denkt diep na en kijkt me een beetje scheef aan. Rare papa.
Maar misschien zit ter ook wel iets in. Als in een adagium waar je ook jezelf aan kunt herinneren. Of iets wat je net zo goed kunt zeggen, en menen, tegen andere volwassenen.
We leren zo veel dingen doen uit beleefdheid. Vinden we het zelf leuk? Soms denken we daar niet eens meer over na. Of we nemen niet de tijd om te voelen of we het leuk vinden. Ja natuurlijk doen we het, want dat wordt van ons verwacht. En we vinden het heus niet erg hoor.
“Niet erg” is niet het zelfde als “leuk”. Bij nader inzien zijn er wel wat zaken waar je jezelf echt geen keus wilt geven. Belasting betalen of zo. Dat weet je dan ook weer. Maar voor de rest...
Hoeveel dingen doen we niet dagelijks in een soort sleur, als we niet uitkijken? Zorgen maken, nadenken, krant lezen, snoep eten, op visite gaan, voor de televisie hangen. Een direct klaar maaltijd eten, of juist uitgebreid iets gezonds koken dat je nu net niet lust. Zelfs ons werk en onze partner kunnen ten prooi vallen aan “heus niet erg hoor”.
Want heus niet erg kan soms ook betekenen dat we ons er eigenlijk niet prettig bij voelen. Dat ken ik helaas ook wel. In een soort wacht-stand springen, als een apparaat dat op zijn beurt wacht om weer eens zelf te mogen kiezen. Morgen, of zo. Meestal morgen, zelden vandaag.
Bij nader inzien is het grapje heel serieus. Laat ik het eens proberen. Wat het ook is, ik moet niets.
Sterker nog, ik mag het niet. Behalve... als ik het leuk vind.
Jij ook. Je mag het niet. Behalve... als je het leuk vindt.
Abonneren op:
Posts (Atom)